Pallas > Druk 2: boek 2
Hoofdstuk 23, tekst A: taaloefening (versie 1)
taaloefeningC1 zij verschenen, fαινομαι
2 hij toonde, fαινw, A
3 zij beeindigen, stervend P mnl.onz.dat.mv, τελευταw
4 jullie moeten dragen, A, fερw
5 jullie sloegen, A, κοπτw
6 gebaard hebbend, P/A, τικτw
7 hij deed stoppen, A, παυομαι
8 toeschijnend, P mnl.acc.mv, δοκεw
9 blijvend, P mnl.onz.gen.mv, μενw
10 hij spande, A én imperativus, τεινοw

